Altijd bezig, nu leren stil te staan
“Sinds mijn kindertijd was ik altijd bezig met projecten, ideeën, verantwoordelijkheden en zelfontwikkeling.”
Het is een zin die ik weleens uitspreek wanneer mensen me vragen waar mijn drang om te studeren, onderzoeken en ondernemen vandaan komt. Vaak kijken ze me dan een beetje verbaasd aan. Alsof het een vreemde uitspraak is. Alsof een kind vooral hoort te spelen, zonder zich met dat soort dingen bezig te houden. Misschien hebben ze daar ergens ook wel een punt. Maar mijn ervaring was anders.
Op de basisschool zat ik op een montessorischool, waar kinderen hun eigen tempo mochten volgen. Dat paste goed bij me. Mijn weektaak had ik meestal snel af, waarna ik werkjes van andere groepen mocht doen. Terwijl veel klasgenoten nog bezig waren met hun eigen opdrachten, zat ik vaak al met materiaal dat eigenlijk voor oudere kinderen bedoeld was. Ik weet nog dat ik regelmatig naar de juf liep om te vragen of er misschien nog extra werk was. Niet omdat ik zo graag de beste wilde zijn, maar simpelweg omdat ik me verveelde. Spelen vond ik vaak minder interessant dan iets leren of maken.
Op school kreeg ik regelmatig te horen dat ik intellectueel een stuk verder was dan mijn klasgenoten. Uiteindelijk werd besloten dat ik groep 4 mocht overslaan. Daardoor zat ik op mijn 7e al in groep 5. Sociaal-emotioneel was ik nog best kwetsbaar. De juf gaf later aan dat ik misschien nog meer groepen had kunnen overslaan als dat anders was geweest. Maar school ging niet alleen over cognitieve ontwikkeling, en daar had ze natuurlijk gelijk in. Ook in groep 5 bleef het patroon grotendeels hetzelfde. Ik had mijn werk snel af en verveelde me vaak in de klas. Gelukkig had ik een juf die daar creatief mee omging.
Ze probeerde me bezig te houden met uitdagendere opdrachten, zodat ik toch iets had om me in vast te bijten. Op een gegeven moment gaf ze me een map met schrijfopdrachten. Dat leek haar wel iets voor mij. Binnen een week was de map alweer vol. De juf was behoorlijk onder de indruk van wat ik had geschreven. Ze zei dat ik talent had en dat schrijven misschien iets was waar ik later nog veel mee zou doen. Niet lang daarna kreeg ik het label “hoogbegaafd” en mocht ik samen met een klein groepje andere kinderen af en toe naar een speciaal clubje op zolder. Daar kregen we oefeningen en opdrachten die bedoeld waren om ons wat meer uitdaging te geven.
Ik vond het geweldig. Niet omdat het “bijzonder” was, maar omdat het eindelijk voelde alsof mijn hoofd ergens mee bezig mocht zijn. Na een verhuizing kwam ik terecht op een daltonschool, met een meester die veel nadruk legde op Nederlands, en waar schrijven opnieuw een belangrijke rol kreeg. In groep 7 en 8 maakte ik verschillende langere teksten en verhalen. Het was een van de eerste dingen waar ik me echt in kon verliezen. Urenlang kon ik bezig zijn met woorden, ideeën en verhalen. Toen ik naar de middelbare school ging, kwam ik in een vwo+ brugklas terecht en later ook in een vwo+ tweede klas. Ook daar stond schrijven centraal.
In de brugklas schreef ik mijn eerste boek en begon ik met bloggen. Niet omdat iemand me dat had opgedragen, maar omdat het vanzelf ging. Schrijven was voor mij een manier om gedachten te ordenen en de wereld een beetje beter te begrijpen. Mijn docente Nederlands, die ook mijn mentor was, merkte dat op. Op een dag vroeg ze of ze even met me kon praten. Ze vertelde dat ze mijn blogs online had gelezen en dat ze onder de indruk was van hoe ik schreef. Ze zei dat ik talent had. Ik denk dat dat moment meer invloed heeft gehad op mijn latere keuzes dan ik toen kon overzien. Zij is misschien wel de belangrijkste reden dat ik uiteindelijk communicatie ben gaan studeren.
Pas veel later begon ik te beseffen dat niet iedereen die drang heeft om voortdurend bezig te zijn met ideeën, vragen en nieuwe dingen leren. Voor mij voelde dat altijd vanzelfsprekend. Het was gewoon hoe mijn hoofd werkte. Terwijl andere kinderen hun energie kwijt konden in spel of beweging, zocht ik uitdaging in woorden, verhalen en gedachten. Misschien is dat ook waarom schrijven al zo vroeg een plek in mijn leven kreeg. Niet omdat iemand me vertelde dat ik het moest doen, maar omdat het een van de weinige manieren was waarop mijn nieuwsgierigheid echt ruimte kreeg. Als ik er nu op terugkijk, zie ik dat die beweging eigenlijk nooit is verdwenen.
Door de jaren heen kreeg ze alleen andere vormen en onderwerpen. Studeren, werken, ondernemen, reizen, sadhana, schrijven. Steeds opnieuw was er iets om me in vast te bijten, iets om te onderzoeken of te bouwen. Misschien is dat ook waarom de rust waar ik me de laatste tijd in bevind soms zo onwennig voelt. Misschien begon het dus niet pas in mijn volwassen leven. Misschien begon het gewoon al daar. Aan een schooltafel, met een schrift voor me, terwijl de rest van de klas buiten aan het spelen was. Wanneer je het grootste deel van je leven gewend bent geweest om altijd ergens naartoe te bewegen, kan stilte al snel aanvoelen als leegte.
Maar misschien is dat niet omdat er iets ontbreekt. Misschien is het simpelweg de eerste keer in mijn leven dat er even niets hoeft te worden ingevuld. Mijn hoofd begrijpt dat inmiddels prima. Maar mijn gevoel moet er duidelijk nog een beetje aan wennen. Het blijft nog zoeken naar hoe ik me werkelijk kan overgeven aan die ruimte en aan alles wat daarin nog onbekend is. Het blijft zoeken, experimenteren, wennen. En misschien is dat ook precies wat dit moment zo waardevol maakt. Je bent blijkbaar nooit te oud om oude patronen te herkennen, om ze langzaam los te laten, en om opnieuw te leren wie je bent en wat je werkelijk nodig hebt.
En misschien is dat gewoon hoe het is: een moment om te zijn, voordat er iets nieuws begint.



