Terug in het gewone leven, verder in mezelf
Het is inmiddels twee weken geleden dat ik terugkwam van mijn Vipassana. En zoals altijd voelt het alsof ik langzaam weer moet landen in het “gewone” leven. Terug naar mijn werk, mijn ritme, mijn verantwoordelijkheden. Lesgeven in vedische astrologie, spirituele groepsreizen naar India organiseren, mensen helpen met hun OCI-aanvragen, vrijwilligerswerk doen op de lokale biologische markt… en ondertussen ook gewoon doorgaan met mijn eigen proces.
Want dat stopt natuurlijk niet zodra zo’n periode van intensieve spirituele beoefening voorbij is.
Dus ergens tussen afspraken, lesvoorbereidingen en dagelijkse bezigheden door, zit ik nog steeds midden in mijn eigen binnenwerk. Naar de osteopaat gaan, mezelf met Reiki behandelen, Reiki-behandelingen ontvangen, beter voor mijn lichaam zorgen, voldoende rust nemen, blijven observeren wat er van binnen gebeurt… Het leven gaat verder, maar de innerlijke beweging loopt gewoon door. Vipassana blijft daarin voelbaar aanwezig, vooral in het observeren. In het proberen niet meteen overal op te reageren. Minder “doen”, meer zijn. Minder controleren, minder fixen, minder wegduwen. Gewoon kijken naar wat er is.
Al moet ik eerlijk zeggen dat dat makkelijker klinkt dan het is.
Mijn persoonlijke proces voelt soms als een pingpongwedstrijd tussen discipline en uitputting. Tussen momenten waarop alles helder voelt en vanzelf lijkt te stromen, en momenten waarop ik volledig in mijn eigen painbody schiet en alles zwaar, chaotisch en overweldigend voelt. Soms zie ik heel scherp wat er van binnen gebeurt, en soms ga ik volledig mee in oude patronen, emoties of weerstand. Dan voelt het alsof ik mezelf kwijt ben, en even later ben ik weer dichtbij mezelf. Op sommige momenten twijfel ik aan mezelf: of ik wel goed bezig ben, of ik het allemaal misschien verkeerd aan het doen ben.
En misschien is dat precies waarom Buddha de middenweg onderwees. Niet te streng worden voor jezelf, maar jezelf ook niet verliezen in verlangens, emoties of oude conditioneringen. Niet onderdrukken, maar ook niet volledig worden meegesleept. Geen voortdurende strijd tussen controle en loslaten, discipline en overgave… maar leren herkennen wat er gebeurt terwijl het gebeurt. Het klinkt zo logisch en eenvoudig, maar in de praktijk merk ik hoe ongelooflijk subtiel het eigenlijk is. Hoe snel discipline omslaat in controle. Hoe “werken aan mezelf” een “vechten tegen mezelf” wordt. Hoe spiritualiteit ongemerkt een project van het ego wordt waarin alles beter, puurder, bewuster of “geheeld” moet zijn.
En precies daar zie ik ook het andere uiterste. Dat ik mezelf verlies in vermoeidheid, afleiding of oude copingmechanismen. Dat mijn hele innerlijke jukebox weer aangaat met keiharde dard bhare geet van Arijit Singh, Sonu Nigam, Mukesh of Kishore Kumar. Dat ik op de fiets zit en spontaan keihard “Anamika, tu bhi tarse!” roep alsof ik in een Bollywoodfilm ben beland. En ergens later op de dag besef ik dan: ah… ik was mezelf gewoon weer even zat. Moe van mijn eigen hoofd. Moe van het blijven observeren, voelen, aanwezig zijn. Alsof er een deel in mij even niets meer wil. Niet voelen. Niet bewust zijn. Niet bezig zijn met groei of innerlijk werk. Gewoon even verdwijnen in iets anders.
En eerlijk gezegd zie ik steeds duidelijker dat dit ook menselijk is. Dat de middenweg niet betekent dat je nooit meer doorslaat of verdwaalt, maar dat je het eerder begint te zien wanneer het gebeurt. Dat je iets sneller begint te zien wanneer discipline omslaat in controle, of wanneer uitputting verandert in ontsnappen. Zonder jezelf daar meteen voor af te straffen, te analyseren, te forceren of spiritueel “fout” te maken. Gewoon eerlijk zien: ah, daar ga ik weer. En misschien zit juist in die eerlijkheid uiteindelijk meer bewustzijn dan in het voortdurend proberen perfect in balans te blijven.
Want wat ik de afgelopen jaren steeds meer begin te zien, is dat heling of spirituele groei niet lineair verloopt. Het is geen rechte lijn omhoog richting “verlichting”, rust of volledig bewustzijn. Soms maak je sprongen vooruit en val je daarna terug in precies dezelfde patronen waarvan je dacht dat ze opgelost waren. En toch begin ik steeds meer te voelen dat ook dat onderdeel is van het proces. Niet omdat ik faal, maar omdat bepaalde lagen zich pas laten zien wanneer ik er klaar voor ben om ze daadwerkelijk te dragen en te doorvoelen. En juist op dat moment, wanneer ik er niet meer omheen kan en het niet meer kan wegduwen of “begrijpen”, kan er iets werkelijk verschuiven. Niet omdat het opgelost moet worden, maar omdat het eindelijk volledig zichtbaar wordt.
Misschien is dat ook wat de middenweg uiteindelijk vraagt. Niet dat ik nooit meer doorsla naar uitersten of nooit meer verdwijn in oude patronen of moe word van mezelf, maar dat ik steeds opnieuw leer terugkeren terwijl het gebeurt. Steeds opnieuw leren afstemmen, zonder mezelf te forceren in een soort ideaal van balans dat eigenlijk niet bestaat. Voelen wanneer discipline hard wordt, wanneer zachtheid verandert in vermijding, en wanneer bewustzijn ongemerkt weer controle wordt. En daarin merk ik vooral dat het minder gaat om het perfect in het midden blijven, en meer om het steeds iets sneller zien wat er gebeurt. En daar dan niet meteen iets van hoeven maken.
Want ondanks alle meditatie, spirituele kennis en innerlijk werk blijf ik uiteindelijk gewoon mens. Met conditioneringen, emoties, verlangens, vermoeidheid, onzekerheden en momenten van chaos. Misschien zit de echte beoefening niet in het overstijgen daarvan, maar in hoe eerlijk ik ermee aanwezig durf te zijn.



