De aarti (Sanskriet: आरती, āratī, van आरात्रिक, ārātrika, “licht dat ’s nachts wordt bewogen”) is een ritueel waarbij licht wordt geworpen op een persoon, symbool, beeld, heiligdom of ander “iets” dat van een bepaalde waarde is. Bij puja’s vindt dit ritueel plaats nadat alle andere offerrituelen zijn voltooid.

De aarti vindt meestal plaats door een brandende diya kloksgewijs rond de persoon, het symbool, beeld e.d. te draaien. Doen we aarti van meerdere personen en/of objecten, dan doen wij dat op volgorde van links naar rechts. We doen dus bijvoorbeeld eerst aarti van de murti die het meest links geplaatst is, dan de murti rechts daarvan, dan de murti rechts dáárvan enzovoorts. Dat representeert de vooruitgang die wij nastreven; we hebben geen invloed op het verleden, maar wel op ons heden en de toekomst.

Het licht van de diya symboliseert ons zicht. Met het licht van de diya verdrijven wij het duister en krijgen wij een betere darshana (Sanskriet: दर्शन, darśana, “zicht”). Tijdens de aarti werpen wij licht op de goede kwaliteiten en attributen van personen en objecten en projecteren wij deze op onszelf. Het is dus niet de bedoeling om de aarti alleen uiterlijk uit te voeren, maar ook vooral om de vertaalslag te maken naar ons innerlijk: oprecht kijken hoe wij de kwaliteiten van het object voor ons in onszelf kunnen ontwikkelen. Hoe vaker we licht werpen op een inspirerend object en daarbij bewust stilstaan bij de kwaliteiten daarvan, hoe meer we daarvan kunnen leren en onszelf innerlijk kunnen ontwikkelen.

Als het gaat om de aarti tijdens puja’s, dan werpen wij tijdens de aarti dus zicht op de kwaliteiten en eigenschappen van de goddelijke gedaante van wie wij op dat moment aarti doen. We worden herinnerd aan de leringen van het Goddelijke en hoe bewuster wij dat doen, hoe meer innerlijke verlichting wij bereiken. Dat gaat natuurlijk niet in één keer en blijft een proces.

Wanneer we aarti doen van het Goddelijke zingen we meestal devotionele liederen. Deze staan in de rubriek Aarti’s. Als je deze te moeilijk vindt, kun je ook een universele mantra of een mantra van de desbetreffende goddelijke gedaante gebruiken in plaats van het devotionele aarti-lied.

Achara (Sankriet: आचार, ācāra, “goed gedrag” of “gewoonte”) verwijst naar dat deel van de dharma sutra’s en dharma shastra’s waarin voorschriften staan beschreven voor normatief gedrag, gebruiken en andere gedragingen die ervoor zorgen dat een samenleving en verschillende individuen binnen die samenleving goed kunnen blijven functioneren, in harmonie met elkaar.

Adharma (Sanskriet: अधर्म, adharma, “geen dharma“) omvat alle zaken en activiteiten die onrechtvaardig zijn en/of in strijd zijn met de universele wetten (dharma) zoals deze in de hindoegeschriften zijn beschreven.

Een agama (Sanskriet: आगम, āgama, “toegangsweg”) is een verzameling van teksten uit devotionele leerscholen die de tradities van die leerschool beschrijft en helpt de weg naar een bepaalde goddelijke gedaante toegankelijk te maken.

Ahimsa (अहिंसा, ahiṃsā, van a “geen” en hiṃsā “geweld”, ook wel bekend als "geweldloosheid") is het belangrijkste grondbeginsel van de vedische leer. Het is een spiritueel filosofisch concept van geweldloosheid en eerbied voor al het leven. Ahimsa leert ons dat wij niemand leed mogen toebrengen, welk wezen dan ook, inclusief onszelf en zowel in gedachte, woord als daad. Daarbij is iedereen gelijkwaardig, dus ook mens en dier. Verschillende hindoegeschriften beschrijven ahimsa als voorwaarde om moksha te kunnen bereiken. Ahimsa wordt in de Patanjali Yoga Sutra’s beschreven als één van de vijf yama’s.
Voorwaarde om moksha te bereiken
Verschillende hindoegeschriften, zoals de Anushasana Parva van de Mahabharata, beschrijven ahimsa en onthouding van bedwelmende middelen (alcohol, tabak, drugs e.d.) zelfs als voorwaarden om verbinding te kunnen maken met je ware zelf en moksha (verlossing) te kunnen bereiken. Om deze reden gebruiken veel hindoes geen vis, vlees en ei en gebruiken zij geen alcohol.

Vandaag de dag wordt dieren op vele manieren leed toegebracht; in slachthuizen, op boerderijen die slachthuizen helpen of steunen, in kippenhouderijen, in de zuivelindustrie, door middel van dierproeven op (non-)food producten & ingrediënten van producten en zelfs als hulpmiddelen om bepaalde producten te produceren. Hoewel dit al jarenlang gebeurt, beginnen veel hindoes zich sinds enkele jaren hiervan bewust te worden en gaan steeds meer hindoes langzaam maar zeker richting een veganistische leefwijze. Hierin gaat het niet alleen om voedsel dat zij gebruiken, maar om de gehele leefwijze, zoals het hindoeïsme dat ook voorschrijft.

Ahimsa leert ons dat wij bewust dienen om te gaan met alles en iedereen in deze wereld. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat wij bewust met het milieu, natuur en grondstoffen dienen om te gaan.

Een anga (Sanskriet: अङ्ग, aṅga, “ledemaat”) is een onderdeel. Dit woord wordt bijvoorbeeld gebruikt in de vedische werken om de veda’s beter te kunnen begrijpen (Vedanga) en in een vedische discipline als jyotisha (vedische astrologie). Jyotisha is in te delen in zes onderdelen: gola, ganita, jataka, prashna, muhurta en nimitta.

Antyeshti [antyeṣṭi] kunnen we vertalen als “laatste wens”. De antyeshti sanskaar [antyeṣṭi saṃskāra] is de laatste sanskaar. Het lichaam heeft haar functie voltooid en wordt teruggegeven aan de natuur, waaruit het is opgebouwd. Voor een goede begeleiding van de ziel naar de bestemming en de geestelijke begeleiding van de nabestaanden worden diverse rituelen verricht. Bij de Arya Samaaj [ārya samāja] vinden deze rituelen alleen plaats tot en met de crematie of begrafenis en bij de Sanaatana Dharma traditioneel tot en met een jaar na het overlijden. Volgens de geschriften horen de overlijdensrituelen maar tot en met de twaalfde dag na de crematie plaats te vinden.[1]Prof. Prasoon, S. (2010) 16 Hindu Samskārs. From before the birth till Death and even after Death – with RITUALS and PUJAN VIDHI. New Delhi, India: Hindoology Books, pp 282-289.[2]Rambaran, H. (2013) Levensbeschouwelijk hindoeïsme. Antwerpen – Apeldoorn: Garant, p 31-34.

Leven en dood

Volgens het hindoeïsme is het leven het moment dat de ziel de baarmoeder binnentreedt (binnen 24 uur na de conceptie) en de dood het moment dat de ziel het lichaam verlaat (binnen 24 uur na het uitblazen van de laatste levensadem). De hindoetraditie schrijft bepaalde rituelen en tradities voor waarvoor de nabestaanden zorg dienen te dragen om:

1. het lichaam van de overleden dierbare op verantwoordelijke en geschikte wijze terug te schenken aan de natuur en
2. de ziel van de overleden dierbare te begeleiden in het hiernamaals

Binnen de Arya Samaaj [Ārya Samāja] zien we dat het op geschikte wijze teruggeven van het stoffelijk lichaam de enige verplichting is voor de nabestaanden. De hindoegeschriften beschrijven dat zowel begrafenis als crematie geschikte manieren zijn om het lichaam terug te schenken aan de natuur[3]Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Rigveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.[4]Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Rigveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.. Bij het terugschenken van het lichaam bedanken we de elementen van de natuur en verzoeken we deze het lichaam op te nemen. De ziel heeft dan verder zijn eigen weg af te leggen. Binnen de meeste andere stromingen kennen we ook voorschriften die gevolgd dienen te worden ná het terugschenken van het lichaam. Hoewel in de praktijk meestal rituelen verspreid over een jaar worden opgelegd en verricht, noemen de geschriften dat de rituelen binnen twaalf dagen na de crematie of begrafenis dienen te worden afgerond[5]Auteur onbekend (jaartal onbekend) Garudapurana-saroddhara. Gorakhpur, India: Gita Press, pp 188-189..

Leven ná de dood

Zoals bij velen bekend is, beschrijft het hindoeïsme dat de ziel steeds weer reïncarneert totdat deze moksha [mokṣa], verlossing van het stoffelijke, bereikt. Al op het moment dat de dood in zicht is, begint de ziel zich los te maken van het lichaam. Daarom worden in deze laatste momenten al rituelen verricht om de ziel te begeleiden zodat deze vredig kan heengaan. Naast de ziel verlaten ook de levensenergieën het lichaam. Dit gebeurt allemaal binnen 24 uur na de dood. Daarom mag het lichaam binnen deze 24 uur nog niet worden gecremeerd of begraven. We hebben het lichaam ontvangen van de natuur als voertuig voor onze ziel, zodat we in staat zijn te handelen en te leven in deze stoffelijke wereld om ons te ontwikkelen tot eenwording met het Goddelijk Bewustzijn. Wanneer ons lichaam is ontzield, heeft het zijn functie verloren. Daarom geven we deze terug aan de elementen van de stoffelijke natuur waaruit het lichaam is opgebouwd: aakaasha (ruimte), vaayu (gasvormige elementen), agni (energie), jala (vloeibare elementen) en prithivi (vaste elementen) [ākāśa, vāyu, agni, jala, pṛthivī].[6]Auteur onbekend (2007). The Bhagavad Gītā or The Song Divine (code 455). Gorakhpur, India: Gita Press, pp 34-36.[7]Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Atharvaveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.

Volgens de Atharvaveda en Chaandogyopanishad [Chāndojñopaniṣad] zijn er twee paden die de overledene kan bewandelen: Pitraayana en Devaayana [Pitrāyaṇa, Devāyaṇa]. Pitraayana is het pad dat leidt tot Pitraloka en Devaayana het pad dat leidt tot Devaloka. De overledene bewandelt na de dood het pad naar devaayana of pitraayana, samen met Yama en zijn twee afgezanten. Devaayana is het pad naar de Godmanifestaties (Deva’s) en pitraayana het pad naar de onbelichaamde zielen (pitra’s). Het pad dat de vertrokken ziel bewandelt, is afhankelijk van zijn karma.[8]Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Atharvaveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.[9]Swami Chinmayananda (2005) Prasnopanisad. Mumbai, India: Central Chinmaya Mission Trust, pp 95-122.[10]Kashyap, R.L. (2014) Taittiriya Aranyaka: Krishna Yajur Veda (Text in Devanagari Translation and Notes). Bangalore, India: Sri Aurobindo Kapali Sastry Institute of Vedic Culture.

Proces van de antyeshti sanskaar

Bij de antyeshti sanskaar [antyeṣṭi saṃskāra] komen veel rituelen kijken om het lichaam op geschikte wijze terug te geven aan de natuur. In dit artikel gaan we in op het globale proces van de antyeshti sanskaar. Hierin kunnen we de volgende fasen onderscheiden: sterfbed, overlijden, sutak, crematie/begrafenis, dasha gaatra [daśa gātra], ekaadashaaha [ekādaśāha], dvaadashaaha/barhi [dvādaśāha], chamaasi [chamāsi], barsi.

Wat betekent antyeshti?

Antyeshti bestaat uit twee woorden: “antya” (laatste/eind) en “eshti” (wens/proberen richting iets te gaan). Dit duidt op drie aspecten van de antyeshti sanskaar:

  1. De laatste wens van de overledene wordt geëerd.
  2. Nabestaanden proberen een goede bestemming van de overledene te bewerkstelligen.
  3. Nabestaanden proberen richting “het normale leven te gaan”(rouwverwerking).

Sterfbed

Wanneer onze dierbare op het sterfbed ligt, hebben we al te maken met rituelen. Zelf verkeert hij in een staat van onmacht en kan hij geen bewuste handelingen verrichten. Hij kan slechts zijn onderbewuste ervaren: zijn eerdere karma, gevoelens, herinneringen en dergelijke. Dit noemen we chitragupta [citragupta], wat we kunnen vertalen als “verborgen plaatjes van het voorbije leven”. In een kort moment ziet de overlijdende alle activiteiten, gevoelens en andere levensprocessen voorbijkomen, zelfs ervaringen die hij was vergeten. Daarom is het de taak van de familieleden om het heengaan van de overlijdende te begeleiden. Hierbij worden we doorgaans bijgestaan door een geestelijk begeleider. Hij ondersteunt ons in ons emotionele proces en treedt tevens op als religieus begeleider, waarbij hij een lezing houdt uit de heilige geschriften. Binnen de Arya Samaaj [Āryā Samāja] worden vooral verzen uit de Rigveda [Ṛgveda], Kathopanishad [Kathopaniṣad] of Chandogyopanishad [Chāndojñopaniṣad] gelezen, terwijl binnen de Sanaatana Dharma [Sanātana Dharma] doorgaans verzen 7.1 t/m 7.10 van de Bhagavad Gita [Bhagavad Gītā] worden gereciteerd. Als algemene gebed staat in de Arya Samaaj de Ishvar Stuti [Īśvara Stuti] centraal, terwijl binnen de Sanaatana Dharma de mantra’s “ॐ tvameva mātā ca pitā tvameva” en “ॐ śāntākāraṃ bhujaga śayanam” worden gereciteerd. Op deze manier bereiden we ons voor op het overlijden van onze dierbare.

Binnen de Sanaatana Dharma is het gebruikelijk om Tulsi [Tulasī] en Gangajala [Gaṅgājala] in de buurt van de overlijdende te plaatsen. Ook krijgt de overlijdende hier wat van te drinken of wordt hij hiermee besprenkeld. Tulsi is een heilige plant die medicinale krachten heeft en ook gebruikt wordt in hindoerituelen. Gangajala is water uit de heilige rivier Ganga [Gaṅgā]. Dit water wordt gezien als zeer zuiverend en verlossend. In de Padma Puraana [Padma Purāṇa] (o.a. verzen 58.131 en 60.7) wordt beschreven dat de stervende in vrede heengaat en een voorspoedig nabestaan bereikt wanneer hij is omgeven door Tulsi en Gangajala. Ook het schenken van giften aan goede doelen in naam van de overlijdende is binnen de Sanaatana Dharma gebruikelijk. Op deze manier hopen de familieleden toch nog bij te kunnen dragen aan de goede karma van hun dierbare overlijdende. Daarnaast is orgaandonatie een vorm van schenking waarmee de omgeving ook wordt geconfronteerd in de sterfbedfase.

Overlijdensfase

Vaak wordt gezegd dat we bij overlijdenssituaties niet mogen huilen en onze emoties niet mogen uiten. Dit zou leed toebrengen aan de overlijdende/overledene en deze zou dan na de dood de snot en tranen moeten eten en drinken die door de nabestaanden worden gelaten. Als we ons gezonde verstand gebruiken, dan weten we dat we het snot en onze tranen op geen enkele manier aan de overledene offeren. We reciteren immers geen mantra’s en stoppen het ook niet in zijn mond. We uiten onze emoties omdat we een dierbare hebben verloren, iemand met wie we lief en leed hebben gedeeld en aan wie we allerlei mooie herinneringen hebben. Het is meer dan logisch dat het verliezen van een dierbare emoties met zich meebrengt. Door onze emoties te uiten, kunnen we deze verwerken en het verlies een plaats geven, zodat de situatie draaglijker wordt voor ons en er geen gewicht hangt op onze geest. Als we onze emoties niet verwerken, kan dit nadelige gevolgen hebben voor onze gezondheid en andere factoren in ons leven. Daarom is het belangrijk dat we onze emoties uiten en verwerken.

Natuurlijk beschrijven de geschriften dat het niet nodig is om te treuren of verdriet te hebben wegens het verlies van een dierbare. Rationeel gezien is de dood onvermijdelijk en hoeven we ons geen zorgen te maken, zeker niet als de overledene een deugdelijk persoon was. Maar onze band met de dierbare is niet rationeel; het is een emotionele band. En daar kunnen zoveel woorden worden gesproken, maar wanneer wij worden overmand door verdriet, zullen die woorden voor ons niet werken. Op dat moment vinden we het oneerlijk dat onze dierbare heengaat/is heengegaan. We zijn machteloos. Onze dierbare is aan het heengaan of is heengegaan en we kunnen niets doen of hebben niets kunnen doen. Dat is pijnlijk en het duurt even voordat we uit die fase van machteloosheid zijn gekomen en beseffen dat dit echt aan het gebeuren is of is gebeurd. Begeleiding van de situatie door iemand met inlevingsvermogen is hierbij dan ook belangrijk, zodat de nabestaanden goed worden opgevangen en kunnen worden begeleid in de verwerking van hun emoties.

तात बिचारु करहु मन माहीं। सोच जोगु दसरथु नृपु नाहीं॥
सोचिअ बिप्र जो बेद बिहीना। तजि निज धरमु बिषय लयलीना॥
सोचिअ नृपति जो नीति न जाना। जेहि न प्रजा प्रिय प्रान समाना॥
– श्रीरामचरितमानस अयोध्या कांड १७१.१-२

tāta bicāru karahu mana māhī. soca jogu dasarathu nṛpu nāhī.
socia bipra jo bed bihīnā. taji nija dharamu biṣaya layalīnā.
socia nṛpati jo nīti na jānā. jehi na prajā priya prāna samānā.
– śrīrāmacaritamānasa 171.1-2

Overweeg dit in je hart, mijn zoon, dat het niet waard is om te treuren voor koning Dashrath. Treur voor de braahman die onwetend is van de Veda’s, die zijn eigen plicht heeft opgegeven en verankerd is in zingenot. Treur voor de koning die geen kennis heeft van volksbescherming en die zijn mensen niet zo lief heeft als zijn eigen leven.

Na het overlijden van onze dierbare vindt wederom een religieuze begeleiding plaats middels algemene gebeden, waarbij nu ook de shaanti paath [śānti pāṭha] wordt gereciteerd en er bhajans worden gezongen. Dit draagt bij aan het in vrede heengaan van de overlene en tevens aan de rouwverwerking van de nabestaanden. Na de religieuze begeleiding bereiden de nabestaanden de uitvaart voor, eventueel met de hulp van een uitvaartbegeleider. Daarbij wordt het lijk eerst verplaatst onder begeleiding van het bezingen van de naam van het Goddelijke. Ook wordt het lijk gewassen en gekleden, waarbij er eerst kusha [kuśa] onder het lichaam wordt geplaatst. Bij het plaatsen van de kusha reciteren we de volgende mantra:

ॐ कुशासने स्थितो ब्रह्मा कुशे चैव जनार्दनः।
कुशे ह्याकाशवद विष्णुः कुशासन नमोऽस्तुते॥

ॐ kuśāsane sthito brahmā kuśe caiva janārdanaḥ;
kuśe hyākāśavad viṣṇuḥ kuśāsana namo’stute.

In de pracht van het kusha-gras bevinden zich Brahmaa en Degene die kwade mensen lijden oplegt. Het allesdoordringende Bewustzijn Vishnu bevindt zich in het schitterende licht en in het kusha-gras. Wij buigen tot u, kusha-gras.

Vervolgens wassen we het lijk onder het reciteren van de eerste mantra en kleden we het lijk terwijl we de tweede mantra reciteren:

ॐ येनामृतं स्नपयन्ति श्मश्रूणि येनोन्दते।
तं वै ब्रह्मज्य ते देवा अपां भागं अधारयन्॥ – अथर्ववेद ५.१९.१४

ॐ yenāmṛtaṃ snapayanti śmaśrūṇi yenondate;
taṃ vai brahmajya te devā apāṃ bhāgaṃ adhārayan. – Atharvaveda 5.19.14

O verlichte! Water is gemaakt voor het universele gebruik door alle wezens. Neem en was het lijk.

ॐ एतत् त्वा वासः प्रथमं न्वागन्नपैतदूह यदिहा विभः पुरा।
इष्टापूर्तमनुसंक्राम विद्वान् यत्र ते दत्तं बहुधा विबन्धुषु॥ – अथर्ववेद १८.२.५७

ॐ etat tvā vāsaḥ prathamaṃ nvāgannapaitadūha yadihā vibhaḥ purā;
iṣṭāpūrta-manusaṃkrāma vidvān yatra te dattaṃ bahudhā vibandhuṣu. – Atharvaveda 18.2.57

O overledene! Onthecht u van de kledij waarmee u bent overleden en accepteer alstublieft deze kledij die door uw verwanten zijn gegeven voor de verbranding van uw lichaam.

Sutak

De sutak is de periode vanaf het overlijden tot het afronden van de overlijdensrituelen op de twaalfde dag[11]Auteur onbekend (jaartal onbekend) Garudapurana-saroddhara. Gorakhpur, India: Gita Press, pp 188-189.. De sutak wordt gezien als een periode van onreinheid die plaatsvindt bij geboorte en dood. Ter rituele reiniging leven mensen in deze periode zuiver. Zij zijn strikt veganistisch en onthouden zich van lusten en luxe door sober te leven.

Ook is dit een manier om tot zichzelf te komen, zich geestelijk los te maken van de overledene en het verlies van de dierbare te verwerken. Vaak wordt gezegd dat er in deze periode geen vuur mag worden aangemaakt. Hiermee wordt over het algemeen zichtbaar vuur bedoeld. Dit kan te maken hebben met het feit dat vroeger het lijk in het huis werd bewaard. Het was dan ook onhygiënisch om vuur aan te maken in het huis, want dan zou het lijk meer ontbinden. Vanuit de hindoegeschriften heeft vuur (Agni) echter verschillende hoedanigheden, zoals licht, warmte, verteringsvuur en woede. Hier zien we dat zowel het zichtbare vuur dat we ontsteken wanneer we ons eten bereiden als de elektriciteit die we gebruiken wanneer we een lamp aanmaken of een elektronische kookplaat gebruiken, Agni is. Ook het zonlicht is Agni. We kunnen dus niet om Agni heen kunnen. We blijven, bewust of onbewust, Agni ontsteken.

Veel zogenaamde regels van de sutak vinden we niet in de hindoegeschriften terug, maar wel bijvoorbeeld in andere culturen. Voorbeelden zijn het afdekken van spiegels, het verzorgen van voedsel e.d. door anderen, het niet knippen van de nagels en dergelijke.

Uitzonderingen

Als de overledene een persoon is die nog geen tanden heeft (baby), dan is er geen sutak. Als de mundan sanskaar [muṇḍana saṃskāra] nog niet is gebeurd (tot drie maanden), dan is er één nacht sutak. Als de persoon nog geen upanayana sanskaar [upanayana saṃskāra] heeft gehad (tot 9 à 10 jaar), dan zijn er drie nachten sutak en daarna tien nachten. Iemand die een eed heeft afgelegd, een maatschappelijke functie heeft en zich bezighoudt met het begeleiden van mantra’s en vuuroffers of daarvoor in opleiding is, heeft geen sutak. Ook asceten hebben geen sutak. Echter wordt in de Garura Puraana (Dharmakhand, Preta Kalpa) [Garuṛa Purāṇa, Dharmakhaṇḍa Preta Kalpa] aangegeven dat de sutak duurt t/m de sapindi kriya [sapiṇḍi kriyā], die op de twaalfde dag plaatsvindt. De sapindi kriya is het ritueel waarbij de preta pind [preta piṇḍa] (de pind die geofferd is voor de ziel van de overledene) wordt verenigd met de pinds van de voorvaderen. Dit staat symbool voor het opnemen door de pitra’s.[12]Auteur onbekend (jaartal onbekend) Garudapurana-saroddhara. Gorakhpur, India: Gita Press, pp 183-189.

Lezingen en lijkbezichtigingen

Ter geestelijke reiniging en begeleiding worden vaak lezingen gehouden in de sutak-periode. Binnen de Arya Samaaj zijn dit doorgaans lezingen uit Upanishads of Veda’s en in de Sanaatana Dharma zijn dit lezingen uit de Ramayana [Rāmāyaṇa] of Garuda Puraana [Garuḍa Purāṇa]. De Ramayana beschrijft het levensverhaal van Shri Rama [Śrī Rāma] en de manieren waarop Hij met levensvraagstukken en situaties omgaat. De Garuda Puraana bestaat uit 19.000 verzen en gaat over de dood en wat er na de dood met de ziel gebeurt. Bij hindoes is het gebruikelijk dat er momenten worden georganiseerd waarop nabestaanden het lijk kunnen bezichtigen. Tijdens deze bijeenkomsten worden vaak ook algemene gebeden verricht voor het welzijn van de vertrokken ziel. Het is niet nodig om hierbij een pandit [paṇḍita] of ritualist in te schakelen.

Crematie/begrafenis

Vooraf de crematie of begrafenis vindt een offerritueel plaats voor een goede begeleiding van de terugschenking van het lichaam aan de natuur. Dit wordt gedaan onder begeleiding van een ervaren pandit [paṇḍita]. Oorspronkelijk hoort het offerritueel in de brandstapel van de crematie plaats te vinden, maar in Nederland is deze mogelijkheid er niet en verrichten we de rituelen in een havana kund [havana kuṇḍ].

Asstrooiing

Met het uitstrooien van het as hebben we het stoffelijk lichaam dan definitief teruggegeven aan de natuur. Hiervoor zijn er geen rituelen. Wel is het gebruikelijk dat er gebeden worden verricht, met name een algemeen gebed of de Ishvara stuti [Īśvara stuti]. Ook reciteren we de shaanti paath [śānti pāṭha] voor de vrede van de ziel. Ook hier zijn andere gebeden ook mogelijk.

Dasha gaatra [daśa gātra]

Tot de crematie of begrafenis bevindt de ziel van de overledene zich dichtbij het lichaam. Wanneer het lichaam is teruggegeven aan de natuur bevindt de ziel zich op plaatsen waar deze gehecht aan was tijdens het leven. Door de pind-offers [piṇḍa] krijgt de ziel nu eindelijk een lichaam. Voor het offeren van de pinds wordt dezelfde vedi gemaakt als bij het ritueel dat in het rouwcentrum wordt verricht. Alleen worden nu tien pinds geofferd in plaats van zes. De vedi dient nu dan ook breder te zijn. De pind-offers staan elk voor een bepaald deel van het lichaam:

1. Hoofd
2. Nek en schouders
3. Hart
4. Rug
5. Navel
6. Heupen en genitaliën
7. Dijen
8. Knieën
9. Voeten
10. Honger en dorst

Elke pind wordt apart vereerd met offers van water, melk, chandana [candana], fruit, suiker, ghee [ghī], honing, wierook, bloemen, schapenwol, bhringi-gras [bhṛṅgi], durva-gras [dūrva], watten, koorden en licht. Dit gebeurt onder begeleiding van mantra’s. Hierna wordt tarpana [tarpaṇa] gedaan voor de Deva’s, rishi’s [ṛṣi] en pitra’s.

यद् वो अग्निरजहादेकमंगं पितृलोक गमयन् जातवेदः।
तद्वः एतत्पुनराप्यायामि सांगास्स्वर्गे पितरो मादयध्वम्॥ – अथर्ववेद १४.४.६४

yad vo agnirajahādekamaṅgaṃ pitṛloka gamayan jātavedaḥ.
tadvaḥ etatpunarāpyāyāmi sāṅgāssvarge pitaro mādayadhvam. – Atharvaveda 14.4.64

O pitra’s, tijdens de crematie bent u uw stoffelijke lichaam kwijtgeraakt. Daarom bidden wij en offeren wij, zodat u met een nieuw lichaam de hemelen kunt bereiken.

Voedseloffers

Ook worden er voedseloffers gebracht in de natuur.

यद्दत्तं यत्परादानं यत्पूर्तं याश्च दक्षिणा।
तदग्निर्वैश्वकर्मणः स्वर्देवेषु नोदधत्॥ – यजुर्वेद १८.६४

yaddataṃ yatparādānaṃ yatpūrtaṃ yāśca dakṣiṇā.
tadagnirvaiśvakarmaṇaḥ svardeveṣu nodadhat. – Yajurveda 18.64

Datgene wat tijdens de shraadh-rituelen geschonken wordt aan de pitra’s, wordt over alle loka’s en alle levenssoorten verdeeld.

Schenkingen

Vaak wordt het schenken van geld en goederen aan zogenaamde braahmana’s [brāhmaṇa] en anderen verplicht gesteld omdat de overledene anders zou lijden. Met name de mahaapattar [mahāpattar] wordt als belangrijk persoon gezien. “Mahaapattar” is een verbastering van het woord “mahaapaatra” [mahāpātra] (minister/premier), wat duidt op Agni Devata [Agni Devatā] als boodschapper tussen de aarde en de goddelijke energieën. In de praktijk wordt de mahaapattar uitgelegd als iemand die allerlei spullen krijgt en daarna razendsnel weg is of zich vol eet. Dit zou ervoor zorgen dat de overledene moksha [mokṣa] bereikt, evenals het schenken van giften aan zogenaamde braahmana’s. Laten we eens een beroep doen op ons gezonde verstand, dan weten we dat moksha gebaseerd is op de karma van de persoon en niet op giften die na de dood door anderen worden geschonken aan doodnormale mensen.

Na de overlijdensrituelen

व्रतवंधोत्सवादीनि ब्रतस्योद्यापनानी च। विवाहादि भवेन्नैव मृते च गृहमेधिनी॥
भिक्षुर्भिक्षां न गृणाति हन्तकारो न गृह्यते। नित्यं नैमित्तिकं लुप्येद् यावत्पिण्डं न मेलितम्॥ – गरुड़ पुराण सारोद्धार १३.३१-३२

vratavandhotsavādīni bratasyodyāpanāni ca. vivāhādi bhavennaiva mṛte ca gṛhamedhinī.
bhikṣurbhikṣāṃ na gṛṇāti hantakāro na gṛhyate. nityaṃ naimittikaṃ lupyed yāvatpiṇḍaṃ na melitam. – Garuŗa Purāṇa Sāroddhāra 13.31-32

Na het overlijden van een dierbare worden de rituelen van sanskaars, zoals het huwelijk en de upanayan, en vasten, verrichten van yagya’s en vieren van Holi en andere hoogtijdagen uitgesteld totdat de sapindi kriya is verricht. Zelfs de monniken (bhikshu) nemen pas aalmoezen tot zich wanneer dit heeft plaatsgehad.

Bronverwijzingen

1 Prof. Prasoon, S. (2010) 16 Hindu Samskārs. From before the birth till Death and even after Death – with RITUALS and PUJAN VIDHI. New Delhi, India: Hindoology Books, pp 282-289.
2 Rambaran, H. (2013) Levensbeschouwelijk hindoeïsme. Antwerpen – Apeldoorn: Garant, p 31-34.
3 Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Rigveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.
4 Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Rigveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.
5, 11 Auteur onbekend (jaartal onbekend) Garudapurana-saroddhara. Gorakhpur, India: Gita Press, pp 188-189.
6 Auteur onbekend (2007). The Bhagavad Gītā or The Song Divine (code 455). Gorakhpur, India: Gita Press, pp 34-36.
7, 8 Auteur onbekend (jaartal onbekend) “Atharvaveda” Sacred Texts. URL bezocht op 24 februari 2014.
9 Swami Chinmayananda (2005) Prasnopanisad. Mumbai, India: Central Chinmaya Mission Trust, pp 95-122.
10 Kashyap, R.L. (2014) Taittiriya Aranyaka: Krishna Yajur Veda (Text in Devanagari Translation and Notes). Bangalore, India: Sri Aurobindo Kapali Sastry Institute of Vedic Culture.
12 Auteur onbekend (jaartal onbekend) Garudapurana-saroddhara. Gorakhpur, India: Gita Press, pp 183-189.

Aparigraha (Sanskriet: अपरिग्रह, aparigraha, van a “niet” en parigraha “begeren”) is een spiritueel filosofisch concept van het vrij zijn van hebzucht en het niet hebben van begeerte. Aparigraha leert ons om tevreden te zijn met wat we hebben en niet te verlangen naar meer dan wij nodig hebben om te kunnen leven. Verschillende geschriften beschrijven het vrij zijn van hebzucht als voorwaarde om moksha te kunnen bereiken. Aparigraha wordt in de Patanjali Yoga Sutra’s beschreven als één van de vijf yama’s.

Een aranyaka (Sanskriet: आरण्यक, āraṇyaka, van araṇya “bos”, ook wel bekend als “geboren uit het bos”) is een verzameling teksten die vooral eeuwenoude Indiase en yogische filosofische kennis bevat. De aranyaka’s beschrijven de filosofie achter de rituele offers die in de veda’s beschreven staan vanuit verschillende perspectieven. Er staan symbolieken in uitgelegd, maar ook concepten als de schepping van het universum, de kracht van ॐ en de cyclus van geboorte en dood. Op deze manier maken de aranyaka’s het mogelijk om de veda’s beter te begrijpen en toe te passen.

De arsha vivah (Sanskriet: आर्श विवाह, ārśa vivāha, van ārśa “afkomstig van de rishi’s/zieners” en vivāha “huwelijk”) is één van de ashta vivah (acht vormen van huwelijk).

De arsha vivah is een vorm van huwelijk waarbij de familie van de bruidegom een prijs betaalt aan de familie van de bruid wanneer de bruidegom met de bruid wil trouwen. Dit doen zij meestal op eigen initiatief. In vedische tijden ging het vaak om koeien, kalveren en stieren en mensen van adel betaalden vaak in juwelen, grond en heerschappij. In de geschriften valt op dat deze vorm van huwelijk vooral in bepaalde gemeenschappen plaatsvond en niet geschikt is voor iedereen uit de samenleving.

Bekende voorbeelden in de hindoegeschriften zijn het huwelijk tussen Pandu en Madri en het huwelijk tussen Dasharatha en Kaikeyi. In de moderne tijd kan het huwelijk tussen bollywoodsterren Abhishek Bachchan en Aishwarya Rai als voorbeeld worden gezien. Ook in Indiase gebieden waarin er een schaarste is aan huwbare dames is de arsha vivah een populair gebruik.